Skip to main content

De therapeutische ruimte(n) vanuit experiëntieel perspectief

Home > Focusing and ... > Psychotherapy > Articles > De therapeutische ruimte(n) vanuit experiëntieel perspectief
Home > Nederlands > De therapeutische ruimte(n) vanuit experiëntieel perspectief

Frans Depestele, M.D., M.A. philosophy
This article is published in Tijdschrift Cliëntgerichte Psychotherapie,,2000, 38 (4), 237-262.

Summary

Samenvatting

Inleiding: het experiëntieel perspectief

De 'gang' ('passage') van de cliënt

Een schema van experiëntiële psychotherapie

R0: de pathologische 'ruimte'

R1: de relatieruimte

R2: de reflectieruimte

R3: de focusruimte

R4: de symbolisatieruimte

R5: de zelfsymbolisatieruimte

Het schema is integrerend

R0: de pathologische 'ruimte'

R1: de relatieruimte

R2: de reflectieruimte

R3: de focusruimte

R4: de symbolisatieruimte

R5: de zelfsymbolisatieruimte

Het schema is differentiërend en integrerend

Correspondentieadres

Literatuur

 

Summary

The therapeutic space(s) from the experiential perspective

From the experiential perspective the important therapeutic factors may be described in a coherent whole of distinct spaces. The cliënt makes with the therapist a relationship space, from which develops a space of reflecting directedness to the experiential level. This makes possible the focusing space and from there on the symbolization space, the heart of the change process. The therapeutic spaces are preceeded by the pathological 'space' (fixation), and sometimes they're leading to the self-symbolization space (creativity). All together they form a scheme of experiential psychotherapy. The scheme can integrate essential elements of the psychoanalytic, the behavioral and the systemic therapies. Also it can differentiate; what a silence is, how experiencing is, what words can do with experiencing, and so on, is different in each space.

Samenvatting

Vanuit experiëntieel perspectief kunnen de belangrijke therapeutische factoren beschreven worden in een samenhangend geheel van onderscheiden ruimten. De cliënt installeert met de therapeut een relatieruimte, waaruit zich een ruimte van reflecterende gerichtheid op de beleving ontwikkelt; dit maakt de focusruimte mogelijk en vandaaruit de symbolisatieruimte, het hart van het veranderingsproces. Uit de eraan voorafgaande pathologische ‘ruimte' (fixatie) en samen met de erop volgende zelfsymbolisatieruimte (creativiteit) ontwikkelt zich een schema van experiëntiële psychotherapie. Het schema laat toe essentiële elementen van andere therapierichtingen te integreren. Het laat ook toe te differentiëren; wat stilte betekent, hoe de beleving is, wat woorden doen met de beleving, enzovoort, krijgt een ander antwoord in elke ruimte.

Inleiding: het experiëntieel perspectief

Verschillende factoren worden naar voren geschoven die werkzaam zouden zijn in psychotherapie: de relatie, het luisteren en reflecteren, het focussen, de beleving, het verwoorden, het bewust worden van onbewuste voorstellingen, inzicht krijgen, het doen van dingen, enzovoort. Soms wordt de werkzaamheid eenzijdig aan een bepaalde factor toegeschreven. Dit willen we vermijden. We willen de vraag stellen welke plaats de therapeutische werkzame factoren tegenover elkaar hebben. De vraag dringt zich dan op: hoe kunnen we die factoren onderscheiden? Maar tegelijk: hoe hangen ze samen?

Een schema van vijf ruimten wordt voorgesteld. We doorlopen het een eerste keer mét de cliënt. Een tweede keer wordt het schema breder gezien: wat gebeurt er precies in? Wat doen de cliënt en de therapeut precies? En een derde keer proberen we elementen van andere therapieën er een plaats in te geven.

Uitgangspunt is de experiëntiële visie op psychotherapeutische verandering. De cliënt verandert niet louter door zijn probleem aan iemand uit te leggen, ook niet louter door te praten over zijn probleem of door iets op een andere manier te doen of er anders leren over te denken: hij moet iets voelen en beleven, concreet lichamelijk voelen of 'be-lijven'. Men kan op vele manieren iets voelen en beleven: hier gaat het over iets voelen of beleven bij het zichzelf uitspreken. Dit voelen betreft niet zozeer emoties; dit is wel nodig waar deze geblokkeerd waren. Maar wezenlijk is het datgene waarover de emotie gaat dat in beweging moet kunnen komen. Dit is breder en dieper dan het niveau van de emoties. Het is het niveau van 'het experiëntiële'. Het lichaam krijgt een centrale plaats in dit experiëntiële schema van psychotherapie, meer bepaald het lichaam zoals het kan meedoen met symboliserende activiteit, met denken, met spreken.

Wat is 'het experiëntiële'? De cliënt heeft iets meegemaakt dat hem treft op een manier die hij niet goed begrijpt en dat wil hij nu voor zichzelf verduidelijken. Dit 'iets' is zijn punt, en hij probeert het onder woorden te brengen. Nadat hij in contact met zijn beleving een en ander ervan gezegd heeft, kan hij niet meer verder. Zijn verwoording of zijn 'tekst' stopt als het ware. Hij is nog in contact met zijn beleving daarrond, maar hij vindt er voorlopig geen woorden meer voor. Op het transcript zien we dat zijn tekst uitloopt op enkele puntjes; want 'het' is niet af. De zin en de tekst zijn niet af want hij probeert vooruit te komen. Hij weet zeker dat hij er nog dingen over te zeggen heeft en zijn aandacht blijft bij wat hij daar binnenin heeft. De tekst loopt niet zomaar uit op enkele puntjes ...... hij loopt uit op enkele puntjes waar cliënts aandacht bij blijft; om dit te 'onderstrepen' en te onderscheiden van tekstonderbreking en stilte zonder focusaandacht zeggen we dat de tekst uitloopt op enkele onderlijnde puntjes, op een ......; deze reeks van vijf onderlijnde puntjes zullen we verder als een schriftteken gebruiken om dit moment aan te duiden.

Dit is voor de cliënt een moment van stilte met een vage spanning in het lichaam, want het is een punt dat een vooruitdragende explicitering impliceert. Dat er meerdere aspecten in zo'n punt zitten merkt men als op een bepaald moment de cliënt 'het' toch kan beginnen uit te spreken. Nu echter, vóór hij het differentiërend kan uitdrukken, voelt hij die diverse gevoelde betekenissen als één geheel. Dit geheel noemen we een 'felt sense' (Gendlin, 1981) of een gevoelde zin (Depestele, 1995). De essentie van het focusmoment is enige tijd aandacht te geven aan een onduidelijk lichamelijk gevoel omtrent een situatie. Als de cliënt enige ogenblikken in contact kan blijven met zo'n onduidelijk punt en vragend-wachtend probeert de kern ervan naar voren te laten komen, eerst als specifieke lichamelijke kwaliteit en dan met een kwaliteitsomschrijvend woord, en er kómt een woord of er komen een paar woorden die - na ze enkele keren te hebben laten resoneren - erop blijven aangrijpen, en de cliënt blijft met die woorden verder zoekend in contact met dit innerlijk punt, dan zal het gaandeweg zich inscherpen en zich openen. Tegelijk met een lichamelijke ontspanning komen dan de woorden en de zinnen die dit punt expliciteren: 'het' wordt gesymboliseerd, 'het' wordt door deze juiste woorden vooruitgedragen.

We zien dus dat bij de cliënt in zijn spreken een moment komt van .....-vorming (het focusmoment) en een moment van de .....-symbolisatie (veranderingsstap). Dit gebeurt op het niveau van het experiëntiële. Deze twee momenten staan centraal in de experiëntiële opvatting van therapeutische verandering.

De 'gang' ('passage') van de cliënt

Focusmomenten en symbolisatiemomenten komen niet op zichzelf. Ze komen in een context. Ze kunnen komen als de cliënt alleen is en op iets aan het 'werken' is, nadenken, schrijven. Ze komen als hij in een therapie spreekt. Ook als een ander persoon op een bepaalde manier naar hem luistert en tussenkomt. Therapie vindt bijna altijd plaats in een interpersoonlijke relatie, als het ware in een 'omgeving' van reflecties op de beleving van de cliënt.

De vraag die zich voordoet is: hoe verhouden zich de elementen relatie, reflectie, focussen en vooruitdragende symbolisatie? In ons antwoord proberen we die elementen te onderscheiden en tegelijk in hun interne samenhang te zien.

Laten we daarbij de cliënt volgen, hem volgen in zijn 'gang' naar en door de therapie. Een cliënt in therapie maakt iets door, hij gaat ergens doorheen. Het woord passage is verbonden met het woord pathos. En in het woord experiëntieel is etymologisch de wortel per te lezen (ons woord per komt ook van het Latijnse per), dat onder meer betekent 'gaan door'. 'Ergens doorheen gaan' roept de idee op van een ruimte. Kunnen we die ruimte differentiëren?

1 Psychotherapie begint op het moment dat de cliënt ertoe komt of 'besluit' om contact te nemen met een therapeut. Hij belt op, maakt een afspraak, gaat er op de bewuste dag naartoe, belt aan, groet de therapeut, betreedt de therapiekamer en gaat zitten. De cliënt neemt het woord; met min of meer grote moeite. Hij richt zich tot de therapeut, tot wie hij spreekt. Zo creëert hij een ruimte in de zin van een interactieruimte. Het is dus in de eerste plaats de cliënt die zich een ruimte creëert; het is belangrijk dat het initiatief van de cliënt zelf uitgaat, want therapie is een gang van deze zelfbeweging of 'motivatie'. Vanaf het eerste moment richt de cliënt zich tot iemand die zo de andere pool wordt van de relatieruimte (Rl) die de cliënt installeert.

2 Al sprekende komt hij ertoe - enige tijd verder in de therapie en de ene cliënt al sneller dan de andere - om dingen van zijn beleving uit te spreken en ontdekt hij ook dat er tijdens het spreken dingen in hem opkomen. Zijn aandacht is op die momenten niet extern op de therapeut gericht, maar intern op iets in hem, iets waarop hij reflecteert; daarmee is hij nu in interactie en dit vormt nu de andere pool van wat we als het ware een innerlijke psychologische ruimte kunnen noemen. Die ruimte wordt dus gevormd door de cliënt zelf die aan het verwoorden is en datgene-daar dat hij aan het verwoorden is en waarop hij reflecteert: de reflectieruimte (R2).

3 Verder nu, op bepaalde momenten van dit reflecterend verwoorden merkt hij dat hij vastloopt. Hij kan niet verder. Hij heeft contact met een beleving, maar er komt geen tekst meer. Hij heeft alleen nog een woordenloze beleving. Het is belangrijk voor de cliënt om daar nu contact mee te houden. Op het moment van die innerlijke aandacht heeft de cliënt dan een ruimte gecreëerd waarvan de polen gevormd worden door zijn focusaandacht enerzijds en het onduidelijke punt anderzijds: de focusruimte (R3).

4 Enige tijd later komt de cliënt ertoe om deze woordenloze, lichamelijk gevoelde zin toch te verwoorden. Er is vaak een zoekproces dat zich afspeelt tussen dat stukje beleving en het niveau van de woorden en de zinnen waarmee de cliënt zoekt. Deze beide worden nu de polen van een nieuwe ruimte of een nieuwe versie van de innerlijke ruimte, de symbolisatieruimte (R4).

5 Er is nog een verder creatief moment. Na de sessie bijvoorbeeld - maar niet alleen in therapie, ook als men op iets aan het werken is - gebeurt het soms dat ineens, onverwacht, spontaan nieuwe ideeën en associaties opduiken. In tegenstelling tot de symbolisatieruimte waar de cliënt moet werken om tot zoiets te komen - namelijk de speciale focusaandacht en het zoeken te verwoorden - is het hier zo, dat de cliënt niet actief bewust aandacht gaf aan of werkte op datgene wat kwam. Hij moet er alleen voor open staan en het ontvangen; anders gaat het verloren. Die nieuwe ideeën komen zomaar in hem op, zonder dat hij iets doet. Het nieuwe overkomt hem en het diepere proces zelf doet al het werk, het komt zelf tot vooruitdragende symbolisatie: we kunnen spreken van zelfsymbolisatie (R5). Deze innerlijke belevingsruimte wordt gevormd door de zichzelf spontaan openende, diepe beleving en de ontvangende cliënt.

Men ziet, de ruimten zijn te onderscheiden, er gebeuren andere dingen in. Maar ze zijn niet te scheiden; volgens een natuurlijke procesmatige orde gaan ze in elkaar over.

Therapie is ruimte voor de cliënt.
Dit is ruimte voor zijn beleving.
Dit wordt een ruimte voor zijn woordeloos beleven.
Dit is een ruimte voor het symboliseren.
En soms wordt dit een ruimte voor het helemaal vanzelf komen van iets nieuws.

De ruimten impliceren elkaar. Focussen bijvoorbeeld kan men alleen; maar een goede relatieruimte is helpend. En ook in omgekeerde richting is er een invloed: het reflecteren in R2 bepaalt wat er in de relatieruimte wel en niet moet gebeuren. De innerlijke samenhang betekent ook dat elke ruimte zijn eigen relatieve plaats heeft, in de zin dat de ene niet vóór de andere kan komen; we zullen verder zien dat vaak een cliënt komt met een problematiek die hem in eerste instantie niet toelaat erop te reflecteren, laat staan te focussen.

Alles samen genomen kunnen we zeggen dat de cliënt als het ware een ruimte vóór zich (en om zich) uitzet, waarin hij al sprekende zijn proces vooruit kan dragen, waarin hij via zijn spreken zijn beleving de gelegenheid geeft tot ontvouwen en vooruitkomen. Als de cliënt dit kan doen, dan is dit mede te danken aan de bredere 'omgeving' die hij rond zich vormt. Met andere woorden, de geschetste gang die de cliënt doorgaat is de meest smalle omschrijving. Deze doorgang vindt plaats in een 'bredere gang'.

Een schema van experiëntiële psychotherapie

Laten we de passage van de cliënt eens opnieuw doorlopen en kijken wat er nog meer aan te pas komt in experiëntiële psychotherapie. We proberen de gang van de cliënt te hernemen in termen van wat er met zijn beleving gebeurt en dit met betrekking tot wat de cliënt doet met de therapeut en met zichzelf (spreken, reflecteren, enzovoort) en met betrekking tot wat de therapeut doet (luisteren, reflecteren, enzovoort), vanuit welke attitudes en vanuit wat er met hem gebeurt (bijvoorbeeld tegenoverdracht). Hoe verschillen de ruimten tegen deze achtergrond?

Alvorens we echter verdergaan met een bespreking van de therapeutische ruimten, moeten we eerst de vraag stellen: wat gebeurt er vóór de therapie? Vóór de cliënt in therapie komt maakt hij ook van alles door. Wat is dat?

R0: de pathologische 'ruimte'

De ruimte vóór de therapie kunnen we de pathologische 'ruimte' (ruimte tussen aanhalingstekens) noemen of R0, want er is eigenlijk nog geen ruimte. Pathologisch is de relatievorm van bijvoorbeeld een obsessionele persoon die steeds geruststelling vraagt en die ook krijgt of de persoon met smetvrees die zijn partner onder druk zet om eveneens de wasrituelen uit te voeren, en deze andere persoon gaat er ook op in.

Er is - in deze aspecten - geen ruimte voor relatie, laat staan voor reflectie of focussen. De persoon (met het probleem) is niet vrij ten aanzien van zijn nood tot obsessioneel gedrag, hij is zijn probleem in plaats van dat hij een probleem heeft en er reflectief tegenover kan staan. De ander van zijn kant heeft geen ruimte om - in deze aspecten - een eigen persoon te zijn, hij is functie geworden.

R0-patronen zijn - om het met een vreemde woordvorming te zeggen - 'ont-zelvend': het is zowel voor de persoon als voor de ander niet mogelijk om in deze bepaalde procesaspecten een zelf te zijn. De ander wordt, op het punt dat hij functie wordt van het proces van de persoon, niet erkend in zijn andersheid en zijn eigenheid; hij wordt in dit opzicht ont-kend. Een R0-patroon is ook ontzelvend voor de persoon, voor de 'eerste auteur' van het patroon. Hij gaat bij zichzelf aan iets voorbij. De obsessioneel twijfelende en steeds geruststelling vragende persoon durft niet stil te staan bij zijn angst en bij 'dat alles' waarover de angst zou kunnen gaan.

Niettemin zijn er bij beide partijen krachten werkzaam. Er is een kracht uitgaande van de persoon en er is een ander die erop ingaat. De ander kan het erop ingaan als negatief ervaren, hij doet het omdat hij zich anders te schuldig voelt; of hij kan het als positief ervaren, hij is - in een ander voorbeeld dan dat van de obsessionele persoon - gefascineerd door de persoon. Men kan bijvoorbeeld in de ban geraken van een cliënt die haarfijn kan uitleggen hoe alles misloopt in de wereld en hoe logisch dat mislopen in elkaar zit, hoe systemen en instanties daartoe op elkaar inwerken, wie er voordeel uithaalt en hoe, wie er de dupe is en waarom, enzovoorts. Het klopt allemaal als een bus.

Ook de therapeut kan meegesleept worden en in zo'n relatiepatroon zelfs gevangen geraken. Eenvoudig voorbeeld: de cliënt vraagt steeds geruststelling en men gaat erop in, en men wordt aldus deel van het probleem; wat bedoeld was als hulp wordt deel van het probleem. Of men geraakt gefascineerd door de cliënt. Er zijn vele, vaak subtiele manieren om erin betrokken te geraken, een betrokkenheid die in dat geval problematisch wordt.

Het is belangrijk om zich goed bewust te zijn van deze negatieve mogelijkheid. Het is de taak van de therapeut om te proberen zo'n patroon om te buigen. Als de persoon op de geschetste manier 'trekt', kan overgang naar therapie, naar relatie, mogelijk worden als die ander een therapeut is die contact maakt met deze problematische facetten van de persoon, maar die er niet in stapt. Bij de overgang van R0 naar Rl is er mogelijk reeds veel noodzakelijk en waardevol werk te verrichten. Toch noemen we deze plaats nog niet de therapeutische ruimte, omdat een cliënt slechts iets zal meedragen van dat werk als het echt tot een therapie zal gekomen zijn.

De therapeut probeert zich af te stemmen op wat de cliënt nu nodig heeft om tot therapie te komen. Experiëntieel werken is altijd ook: zich afstemmen op wat het proces nu kan en nu nodig heeft om vooruit te komen. En aangezien de cliënt op dit moment nog zeer veraf is van bijvoorbeeld het focussen - de obsessionele cliënt in R0 kan niet focussen op zijn probleem - is het experiëntieel om dat niet voor te stellen. Om dezelfde reden is ook een non-directief optreden soms fout. De vraag is: in welke mogelijkheden kan het proces nu aangesproken worden. Een anorexie-cliënte kan zozeer 'gevangen' zitten in haar patroon, dat het levensgevaarlijk wordt en er op een bepaald moment directief opgetreden moet worden, juist om het proces in zijn actuele mogelijkheden nog te kunnen aanspreken.

R1: de relatieruimte

Het verschil tussen de relatieruimte en R0 is dat de cliënt nu ruimte maakt voor mogelijk iets anders dan zijn R0-patroon. Hij kan eventueel nog strijd voeren voor zijn patroon, maar als hij in R1 blijft, aanvaardt hij dat de therapeut zichzelf blijft en niet in zijn patroon stapt. Nemen we aan dat de cliënt de stap kan zetten naar de relatieruimte. De cliënt komt en hij spreekt de therapeut aan.

Omdat de cliënt komt om te spreken, is de bijdrage van de therapeut te zorgen dat de relatie zo is dat de cliënt kan spreken. Bepaalde voorwaarden moeten vervuld zijn; een contact kan zo zijn dat de persoon zich sluit, terwijl hij in een ander soort contact dat niet zal doen, maar zich zal openstellen. De cliënt moet het gevoel hebben dat hij in eerste instantie als persoon erkend wordt en niet dat hij louter doorheen een theorie wordt 'bekeken' of dat een techniek op hem wordt toegepast (Gendlin, 1996, p. 286). Hij moet het gevoel hebben dat hij erkend en begrepen wordt in wat hij wil zeggen en in hoe hij het zegt. De relationele grondhoudingen die de cliëntgerichte therapie heeft beschreven vinden hier - naast andere, bijvoorbeeld grenzen maken - hun plaats. Overigens ook in R0 en in R2, maar telkens op een andere manier (zie verder in verband met empathie), in een andere verhouding (in R0 bijvoorbeeld zal de congruentie meer op de voorgrond komen) en met een ander doel; in R0 is het doel om tot een relatie te komen, in R2 is het doel om tot reflectie te komen.

Het doel hier in R1 is dat de cliënt tot spreken komt (in R0 blijft de cliënt 'vragen'); dit is de vorm waarin de zelfbeweging van zijn proces nu mogelijk is. De cliënt zal daarom nog niet onmiddellijk vrij en zonder hinder spreken; maar het externe milieu moet minstens de gelegenheid daartoe scheppen, want dit spreken is zo al moeilijk genoeg: er zijn namelijk ook innerlijke hindernissen.

In de relatieruimte komt de cliënt nog niet tot diep explorerend spreken. Sommige cliënten nemen de uitnodiging tot zelf spreken niet of niet gemakkelijk aan; zij zijn vooral met een 'vragende' attitude gekomen. Als de cliënt echter de (meestal impliciete) uitnodiging van de therapeut tot zelfactiviteit opneemt, en op een bepaald moment ophoudt met vragen te stellen en zelf gaat spreken, begint de echte therapeutische activiteit. Dit is een onderscheiden moment in R1 dat we - met een beeld - het therapeutische venster noemen: het is van belang dat de therapeut en de cliënt elkaar vinden voor dit venster; als ze beiden niet voor het venster zijn, 'zien' ze elkaar niet op een wijze die therapeutisch vruchtbaar zal zijn. De cliënt gaat dus min of meer akkoord met dit facet van het kader, namelijk dat hij zelf zal spreken en dat hij de therapeut de ander laat zijn die op zijn manier met hem contact maakt.

Het eigen spreken wordt centraal gesteld, omdat het op basis dààrvan is - op basis van die tekst als het ware - dat de cliënt via het eigen reflecteren en de reflecties van de therapeut in contact zal kunnen komen met zijn beleving; het is ook via de tekst dat de cliënt later op onduidelijke belevingen zal kunnen uitkomen en op deze manier zal kunnen verwoorden wat nog niet verwoord is geworden. Het eigen spreken zal zo het draagvlak worden van de belevingserkenning in R2, maar ook van de belevingsvoortgang in R4. Het is vanuit deze procesvoortgang, van binnenuit en niet door de aanvaarding van de therapeut - want vaak als die er is, aanvaardt de cliënt daarom nog niet bepaalde belevingen - dat 'moeilijke belevingen' geïntegreerd zullen worden.

De relatie tussen cliënt en therapeut - die we de externe relatie noemen, in onderscheid met de interne relatie waarvan we hoger al enkele contouren hebben geschetst - staat in dienst van wat ze mogelijk moet maken, namelijk de cliënt tot het eigen spreken te brengen. Die relatie is niet altijd nodig, zoals blijkt uit het effectief zijn van schrijftherapie (Pennebaker, 1993); maar bij vele cliënten is ze wel nodig en op velerlei wijzen is ze helpend.

Hoe is het spreken van de cliënt nu in Rl, in onderscheid met het reflectief spreken verderop? In een prototypisch Rl-moment spreekt de cliënt tot de therapeut over zijn leven in de wereld. Hij wil de therapeut iets uitleggen, iets tonen, zijn klachten uiten (hij spreekt ook over zijn lichaam, bijvoorbeeld over zijn moeheid). Hij wil eventueel overleggen wat eraan gedaan zou kunnen worden. Of hij wil de therapeut van iets overtuigen of hij wil hem bijvoorbeeld loven of bekritiseren, enzovoorts. Vele soorten spreken-tot en spreken-over (vergelijk met de situering laag op de ervaringsprocesschaal) kunnen hier onderscheiden worden; en het soort spreken kan gezien worden als een voorbeeld of een 'weergave' van zijn probleem. Maar vooral: de cliënt is gericht op de therapeut. Typisch teken: bij een stilte blijft hij kijken naar de therapeut voor het vervolg van het gesprek. En hierin ligt het verschil met het spreken in de reflectieruimte.

R2: de reflectieruimte

In de reflectieruimte kijkt de cliënt niet naar de therapeut, hij kijkt 'in de verte', dit wil zeggen in zichzelf; zijn spreken wordt voor de cliënt nu een spiegel waarin hij dingen begint te zien. Hij kijkt naar wat er in hem leeft en hoe hij dat nu voor zichzelf zou kunnen 'uitleggen'. Hij wil duidelijkheid krijgen voor zichzelf over zijn belevingen.

En, ten tweede, in plaats van te spreken over de buitenwereld - en dat is vaak een beschuldigen en aanklagen - lukt het de cliënt hier om de positie in te nemen van de vraag: wat doet het mij? Wat betekent het voor mij? Wat is mijn positie? Ook als die buitenwereld zware tegenslagen aanbrengt (extern trauma) staat de persoon voor de taak te zoeken wat hij daarmee gaat doen, hoe hij zijn leven zal proberen verder te zetten. Hij staat voor de vraag: 'wat doet het mij?' en 'wat is mijn antwoord erop?' (uiteraard het antwoord van de beleving, de 'impuls').

Het spreken wordt hier dus een terugbuigen op het eigen zelf, op de eigen beleving. De cliënt reflecteert zelf. Hij 'ziet' zich ook weerspiegeld als hij zelf een eigen tekst herleest (schrijftherapie), zichzelf bepaalde dingen hoort zeggen, nadenkt over zijn acties en over zijn reacties, bijvoorbeeld op de therapeut, enzovoort. En de cliënt wordt geholpen door de reflecties van de therapeut.

Het gaat er hier voor de therapeut om zich zo goed mogelijk af te stemmen op wat de cliënt zegt, op wat er in hem leeft en elke nuance te erkennen: essentieel is dat de therapeut daaraan refereert en zo de cliënt bij zijn beleving brengt. Voor de cliënt gaat het er om dat hij kan komen tot het erkennen van bijvoorbeeld 'ik heb een probleem met autoriteit'. In plaats van 'het' in Rl verder een gevecht te laten zijn met de therapeut, kan de cliënt hier in R2 deze reflectieve stap zetten, de stap 'achteruit': om beter te zien, om 'in te zien'. Hij kan het nu zo benoemen; daarom kan hij het niet aanvaarden, maar hij kan het wel erkennen. In plaats van 'het' relationeel te zijn (uit te ageren), kan de cliënt 'het' nu reflectief zijn.

R2 is de plaats waar de cliënt probeert zichzelf terug te vinden. Het is de plaats van een verschil maken met en een loskomen van de buitenwereld en van de relatie met de therapeut (van Rl). Reflecteren is in bepaalde opzichten een vormen van identiteit, of beter een hervinden van identiteit; terugbuigen op zichzelf is komen tot zelfbewustzijn, en dit is het zelf constitueren van eigen identiteit. De 'bouwstenen' van de beleving (zie ook Stern, 1985) worden hervonden. De cliënt probeert deze verankering terug te vinden aan de hand van het fijnste instrument, de taal; soms echter beschikt hij zelfs daar niet over en moet er bij de psychotische persoon ook werk geleverd worden om terug tot de ondubbelzinnigheid te komen die woorden en uitdrukkingen als ankerpunten normaal hebben.

Het zoeken van de eigen positie tegenover de buitenwereld gaat niet vanzelf. Het is beangstigend en moeilijk. De cliënt probeert te erkennen wat er in hem leeft; soms is het iets pijnlijks en onaanvaardbaars. Belangrijk is te kunnen erkennen dát iets is en eventueel wát het is. En elk moment van psychisch leven is wat het is én het is meer. In 'wat is'..... zit altijd ook een impliceren-van. Het doel is dit impliciete tot ontwikkeling te brengen. De rol van de therapeut en van de cliënt is dus een erkennend met woorden 'er' bij komen.

Het erkennen dat iets is, is een soort stapsteen. Is die er eenmaal, dan kan het voelen komen, en het verder verwoorden. Het erkennen in R2 en het vinden van de eigen bodem is ook het vinden van de eigen bodem voor de procesvoortgang. Tot nieuwe beleving komen - en we denken aan de overgang naar R3 - begint met het experiëntiële basisgegeven van 'erken wat er nu is en zoals het is', want het meer (R3) komt uit wat is (R2).

Waarin zit nu het verschil met de focusruimte? R2 is het reflectieve spreken. Die verwoording gaat relatief vlot. We kunnen dit zo uitdrukken: er is een goede reflexieve interactie bij de cliënt tussen zijn tekst en zijn beleving. Maar hij komt op punten waar dat niet meer vlot gaat, waar er beleving is maar geen tekst meer. Er is beleving gewekt waar geen tekst voor is.

R3: de focusruimte

De focusruimte kunnen we definiëren als reflectie(ruimte) voorzover er geen tekst meer komt. De impliciete beleving die via de tekst in R2 weer een plaats krijgt, kan hier 'in de diepte' in R3 iets nieuws vormen. De cliënt kan niet verder spreken, maar hij heeft innerlijk iets waar hij contact mee maakt en houdt.

Om het nog anders uit te drukken, het spreken dat in R2 reflexief werd, wordt hier via het maken van wat we focusopeningen of .....'s kunnen noemen, experiëntieel. Het werk van de therapeut hier bestaat erin allerlei wegen te vinden om de cliënt bij zo'n ..... te brengen, want de gewone reflecties volstaan daarvoor niet. We verwijzen hiervoor naar de literatuur over focussen en naar het onderzoek over de impact van focussen op psychotherapie (voor een overzicht zie Hendricks, in druk). We stippen enkel een paar punten aan. Een onderscheid moet gemaakt worden: de therapeut kan hulp bieden (a) waar de focusvaardigheid moet worden aangeleerd en (b) waar een cliënt die de vaardigheid al heeft, tot het gebruik ervan moet worden uitgenodigd. Men kan focussen aanleren vóór of buiten de therapie. Maar de gewone cliënt komt daar niet gemakkelijk toe; bij hem ligt het zelf komen tot focusmomenten ingebed in een gans therapeutisch proces. Het is ook meer natuurlijk en procesmatig (want niet gesepareerd) om dit langzamerhand in en via de therapie 'aan te leren', omdat men daar ook tenvolle de specifieke focus(aanleer)hindernissen ontmoet van deze cliënt die nauw kunnen samenhangen met zijn problematiek, bijvoorbeeld rationalisatie.

Het focussen kan op een natuurlijke wijze in het geheel van psychotherapie ingebed worden; de microprocessen kunnen naadloos binnengebracht worden. Gendlins (1981) 'experiential listening' en 'saying back the crux' brengen de cliënt daar waar hij, na de poging tot verwoording door de therapeut, nu kan voelen wat er in die verwoording wél en vooral wat er niet is in weergegeven; dit laatste kan nu in focus komen. Of na die verwoording kan nu - wellicht eerst vaag, maar met aandacht misschien duidelijker wordend - een nieuwe nuance naar voren komen.

Alleen vanuit de cliëntgerichte grondhoudingen geïnspireerde reflecties zijn gewone reflecties, en nog niet specifiek focussende reflecties. De taalvorm kan ze tot experiëntiële reflecties maken. Een reflectie wordt experiëntieel als ze op een bepaalde manier gericht is op en contact probeert te maken met datgene in de cliënt van waaruit deze spreekt: 'Almost anything can be reflected with an implicit invitation to sense 'it' as that, right there' (Gendlin, 1984, p. 90). Weiser Cornell (1994) toont hoe zorgvuldig de taal een reflectie kan vormen tot een 'het'-vormende tussenkomst. Zij wijst er ook op, wanneer een cliënt zegt: 'Het is bang van iets', hoe een reflectie als: 'Jij voelt je bang' een stap terug is; de cliënt doet een 'het'-verwoording en de therapeut brengt dit terug tot een 'persoons'-verwoording; het gevaar bestaat hierbij dat de .....-vorming wordt bemoeilijkt of weer ongedaan wordt gemaakt, dat de cliënt contact verliest met de ..... die hij had. Persoonsgerichte reflecties hebben wel hun plaats en zijn nodig in R2, die de ruimte is van de identiteit, en vooraleer de persoon een innerlijke relatie kan vormen met een 'het' is in dit opzicht een goede identiteit nodig .

Als de cliënt zelf bij een ..... komt of bij een punt waar een ..... zou kunnen worden gevormd, let de therapeut erop dat de cliënt even halt houdt en aandacht eraan geeft. De cliënt leert gaandeweg in de therapie, met het afbouwen van de weerstand (bijvoorbeeld rationalisatie) en met de focusbegeleiding van de therapeut, om niet voorbij te lopen aan zulke momenten. Hij leert die momenten waar de verwoording stopt extra te waarderen, alsook die momenten waar hij iets voelt dat hij niet begrijpt (en dus ook de therapeut niet).

Men probeert in R3 bij een onduidelijk punt te komen en even te blijven, omdat het in therapie te doen is om punten waar het proces op een nieuwe manier vooruit kan komen, tot een nieuwe verwoording kan komen. Dit zal gebeuren in de symbolisatieruimte.

R4: de symbolisatieruimte

De symbolisatieruimte verschilt in meerdere opzichten van de focusruimte. We stippen er slechts één aan. Focussen is bij een gevoelde zin komen, en met aandacht erbij blijven; het is een moment van stilstand. Symboliseren is proberen 'uit' een gevoelde zin te komen, ermee omgaan met woorden, met woorden die 'het' zullen vooruitdragen; het is een moment van vooruitbeweging.

In R4 zoekt het proces doorheen een onduidelijkheid te geraken. Hoe men het hierbij kan helpen, daarvoor verwijs ik eveneens naar de focusingliteratuur. Vaak verloopt het evenwel niet zo ordelijk als in de opeenvolgende focusbewegingen. Een en ander zouden we als volgt kunnen samenvatten. Vanuit een onduidelijkheid probeert de cliënt met een woord en daarna vanuit een juist woord met een zin, beweging te krijgen. Het is een zoeken, een 'doorgang' proberen te vinden met verwoordingen; maar goed in contact blijvend met wat hij 'daar' voelt. Hij probeert met een woord, een paar woorden, een beginzin, probeerzinnen, aarzelingen, een poging in één richting die dan duidelijk maakt dat een andere richting beter is, half mislukkende en half lukkende zinnen: net zolang totdat hij een goede vooruitdragende verwoording vindt.

In de symbolisatieruimte gebeurt het vooruitdragen, de belevingsverschuiving. De interne relatie tussen de ..... en vooruitdragende symbolen (tekst) is de eigenlijke veranderingsstap. Daarom is de eigenlijke therapeutische relatie niet de relatie tussen de cliënt en de therapeut, niet de relatie tussen de cliënt en zijn gevoelde zin, maar de relatie tussen zijn gevoelde zin en vooruitdragende symbolen.

Het erkennen in R2 dat iets is en wat het is, het daaruit voortkomen van nieuwe impliciete tendensen in R3, leidt in R4 tot het verwoorden ervan. Het zó verwoorden of zó dikwijls verwoorden totdat de beleving beweegt, 'oplost' in het gehele proces en door het geheel geïntegreerd of 'aanvaard' wordt. Dan gaat ze behoren tot wat in dit aspect een nieuw geheel of een nieuwe identiteit wordt. Wat de veranderingsstap verder inhoudt zullen we hier niet uitwerken. De rol van het impliciete in relatie met vooruitdragende symbolisaties wordt door Gendlin (1991, pp. 46-106) beschreven in veertien concepten die het samenspel beschrijven van impliciet beleven, taal, en situaties: wat doet een woord, wat doet een zin in een ....., in een lichamelijk gevoelde zin van een situatie?

Het gaat dus ook hier over interactie tussen beleving en woorden, en wat ze met elkaar doen. Een interessant probleem is het verschil op dit punt tussen R2 en R4, want in beide gaat het om interactie tussen beleving en woorden. Een algemene stelling zou kunnen zijn:

• in R2 is het veeleer tekst die beleving wekt; het impliciete dat er al is komt weer in beweging;

• in R4 is het veeleer beleving die tekst wekt; het nieuwe impliciete zoekt naar nieuwe verwoording.

Gendlins genoemde concepten slaan op wat in R4 gebeurt, en niet (zozeer) op wat in R2 gebeurt, waar de cliënt trouwens innerlijk in contact is met beleving vooraleer een gevoelde zin wordt gevormd.

In R4 zit de innerlijke beleving zelf 'aan het stuur': 'het' is gedreven, het zoekt vervollediging, het heeft woorden en zinnen nodig, het arbitert woorden, enzovoort. De hoofdtaak voor de cliënt hier is: met het strevende innerlijk meehelpen zoeken naar symbolen. De therapeut is in deze momenten meer op de achtergrond; hij kan er wel bij helpen dat de cliënt goed omgaat met zijn ......

R5: de zelfsymbolisatieruimte

R5 is het moment van de spontane inval, de nieuwe associatie na de sessie. Het verschil met R4 is dat zo'n inval komt wanneer de cliënt er juist geen aandacht aan geeft, maar dat hij - als het gekomen is - er receptief voor moet zijn. De therapeut kan de cliënt daarop wijzen en hem uitnodigen daarvoor open te staan.

De inval komt vanzelf, en hij komt als een ..... mét meteen de vooruitdragende woorden. Verandering gebeurt hier vanzelf. Om in zo'n moment te komen is het nodig dat een bepaald experiëntieel gebied geactiveerd is, en dit is het geval als de voorgaande ruimten hun werk gedaan hebben; bijvoorbeeld direct na de sessie. Een belangrijk belevingsgebied is geactiveerd door de voorafgaande symbolisaties. Ook creatieve ideeën komen meestal in een periode dat men aan een onderwerp werkt, en vooral wanneer er reeds enige experiëntiële symbolisatie plaatsvond. Dat is de zin van het motto 'nulla dies sine linea'. De tekenaar is altijd bezig schetsen te maken.

Als therapeut kan men hier weinig doen. Waar de gelegenheid zich aandient, kan men cliënten wijzen op het therapeutisch nut van zo'n moment, en hoe ze gefavoriseerd kunnen worden. Men kan hen leren dat men enerzijds het creatieve proces en het veranderingsproces een handje kan toesteken (en niet alleen spreken en schrijven maar ook tekenen en andere soorten expressies aanmoedigen), en dat men anderzijds kan openstaan voor wat ook op deze manier 'binnenkomt'. Dit openstaan is niet hetzelfde als de focusaandacht (R3) of de woordenzoekende aandacht (R4), het is gewoon bereid zijn een kleine pauze te nemen om het 'neer te zetten' in de vorm waarin het kwam (te vergelijken met dromen opschrijven, met het verschil dat dat een R2-gebeuren is: vanuit het genoteerde kan men dan eventueel tot een ..... komen), en een eventuele verdere ontvouwing toelaten.

Het schema is integrerend

Laten we nu kijken wat er verder in de diverse ruimten kan plaatsvinden en meer bepaald hoe we essentiële elementen van andere therapieën en methoden hierin een plaats kunnen geven.

Het bovenstaande was een beschouwing over experiëntiële psychotherapie. Laten we nu van daaruit de andere drie grote therapiefamilies bekijken en vergelijken: de psychoanalytische (PT) richting, de gedragstherapie (GT), in beperktere mate de systeemtherapie (ST) en binnen dit schema kijken naar mogelijke verbanden en analogieën met de experiëntiële therapie (ET).

R0: de pathologische 'ruimte'

We gaven reeds aan hoe een probleem in R0 zich uit op het relationele vlak, en hoe de persoon en de ander kunnen samenspelen zonder het te beseffen, zonder vat te hebben op de krachten die hen sturen, zonder 'zelfcontrole' (GT). Volgens de PT gaat het om onbewuste driftmatigheid die de patronen maakt volgens dewelke de relaties van de persoon bij voorkeur zullen verlopen; zo gebeurt ook de partnerkeuze vanuit onbewuste tendensen (Szondi).

In het samenspel is het soms zo dat de ander het patroon actief in stand houdt, een vader bijvoorbeeld die verregaand wil bepalen wat zijn reeds volwassen zoon zal doen, in zijn plaats handelt, enzovoort. Als de vader voor zijn zoon een afspraak wil maken, kan men misschien reeds een stukje R0 'vrijmaken' door het voorstel te doen de zoon zelf te laten opbellen. Vaak zal dat lukken.

Maar soms niet. En dan is er geen andere weg om de problematiek te benaderen dan via het systeem, het systeem van vader en zoon. Hiermee willen we niet suggereren dat ST ook geen eerste keuze kan zijn. ST verschijnt ook verder in het schema. Een gezinstherapie kan de eerste indicatie zijn bij bepaalde problematieken; of een paar kan ervoor kiezen om samen in therapie te gaan.

ST zal uitgaan van een interactionele definitie van het probleem, maar er is ook een PT-versie (Atwood & Stolorow, 1984) waarin psychopathologie primair interactioneel of intersubjectief gedacht en gedefinieerd wordt. Hoe het ook zij, er kan (een fase van) therapie nodig zijn om via het systeem de leden uit hun wederzijds pathologisch versterkend patroon te helpen komen.

Laten we verder gaan met het voorbeeld waarbij het komt tot een individueel contact.

R1: de relatieruimte

We staan eerst nog even stil bij het allereerste moment van de cliënt die 'besluit' tot contact nemen met een therapeut. Dit is niet louter een rationele, bewust gecontroleerde keuze. Er zijn tendensen in hem die hij niet in de hand heeft, die hij niet begrijpt - 'The unconscious is the body. It is that vast amount more that we are, but have not formed in concepts' (Gendlin, 1974, p. 242) - en die mede, vaak juist omwille van dat niet-begrijpen, hem ertoe 'drijven' om therapie te zoeken. Er is veel te zeggen voor de PT-opvatting dat het onbewuste krachten zijn die zich 'sluiten' tot de mede bewust genomen stap naar therapie. R0 toont dat zo'n stap geen zaak van alles of niets kan zijn, maar een zaak van (momentaan) overhellen naar R1. In therapie komen is altijd en blijft soms lange tijd een kwestie van wel-en-niet. Er is aan de ene kant de therapeutische alliantie (Pierloot & Thiel, 1986; Davanloo, 1990) en aan de andere kant de weerstand, beide met zowel een onbewuste als een bewuste component. Het is dit complexe krachtenspel dat zijn 'zelfbeweging' doorheen het schema zal maken; in het begin spreekt het onbewuste nog krampachtig, op het einde min of meer vrij.

De relatieruimte kan gedefinieerd worden als een nieuwe omgeving die de persoon creëert voor zijn proces. Hij voelt zich met iets vastzitten en wil daar iets aan doen. Misschien wil hij uitschrijven wat hij voelt. Daartoe creëert hij een gelegenheid, hij maakt tijd vrij, zoekt een goede plaats, een pen, papier, enzovoort. Hij maakt een omgeving waarmee hij een externe relatie installeert. Dit is een eenvoudige relatieruimte waarin therapeutisch schrijven mogelijk wordt: tekst maken die hem doet reflecteren en hem misschien bij nieuwe punten brengt die hij kan symboliseren.

Meestal echter zoekt hij een andere persoon op. Cliënt en therapeut hebben dan een of meerdere gesprekken. Allerlei zaken kunnen daarin plaatsvinden die nog niet echt therapie zijn, maar toch reeds de therapeut-cliënt-relatie nodig hebben. Wat er in de relatieruimte zoal kan (maar daarom niet altijd zal) plaatsvinden, lijkt ook een bepaalde natuurlijke (volg)orde te hebben.

1. De cliënt komt.

2. De therapeut verwelkomt; hij is gastheer; alhoewel hij in de therapie in een nog belangrijker opzicht gast is: in de innerlijke ruimte van cliënts beleving kan hij niet verder komen dan de cliënt het op dat ogenblik toelaat.

3. Voorbereiding van de eigenlijke therapeutische ruimte.

a De fysische omgeving moet voldoen: er moeten voldoende tijd en een comfortabele ruimte zijn.

b De cliënt probeert uit te leggen wat er niet gaat. De therapeut luistert naar hem als persoon en probeert zicht te krijgen op wat er bij hem niet gaat, hij probeert de problematiek te begrijpen ('diagnose') en hij zoekt welke therapeutische ingangspoort er het beste voor is. Kennis van psychopathologie helpt de therapeut: hoe meer men weet, hoe meer men ziet en begrijpt. Belangrijk is dat deze evaluatie niet objectiverend is, maar samen en procesmatig gebeurt, dit wil zeggen: op geleide van wat de cliënt op zijn manier nu brengt.

c Soms komt de cliënt voor informatie en de therapeut geeft uitleg over therapie; dit is het leraarfacet van de therapeut, dat in een therapie ook af en toe kan terugkeren.

d Hier situeren we ook het gesprek dat 'pre-therapie' blijft, zoals met iemand die onder invloed is; of die men probeert te motiveren om nuchter naar de sessie te komen, of om het drinken of het nemen van kalmeringspillen stop te zetten. Bij een cliënt die verslaafd en eventueel geïntoxiceerd is, is een ander specifiek soort werk nodig vooraleer psychotherapie mogelijk is. Het motiveren, zoals dat ook bijvoorbeeld bij een anorexiecliënte soms moeilijk is, is op zich vaak een heel proces dat therapeutische vaardigheden vraagt.

e De noodzakelijke fysieke omgeving moet gecreëerd of gefavoriseerd worden.

1 Een te sterke vermoeidheid bijvoorbeeld of een te grote honger worden best eerst beantwoord.

2 Waar dat nodig is, wordt ingegrepen op het vlak van de medicatie:
het stopzetten van kalmerings-, slaap- en andere roesmiddelen (deze gaan niet samen met psychotherapie omdat ze de beleving dempen), en het inzetten van bijvoorbeeld antidepressiva (de remming van het lichaam - 'Het gaat niet' - opheffen, en zo psychotherapie mogelijk maken).

3 Hier kunnen we in het schema ook een plaats geven aan de volgende interventies. Namelijk aan GT die bij enuresis werkt met een plaswekker of die werkt op het anticipatoir braken bij chemotherapie: uitgesproken fysieke reacties worden gedeconditioneerd; ook de aversieve conditionering voor alcohol. We zouden dit kunnen omschrijven als werken op de sterk fysieke hindernissen van het experiëntiële proces; pas als het lichaam wat vrijer is, zal de cliënt tot therapeutisch spreken kunnen komen. Ook relaxatie vindt hier zijn plaats en in het verlengde van relaxatie kunnen we hypnotherapie situeren: men doet het lichaam 'gehoorzamen', bijvoorbeeld om met roken te stoppen (daarnaast heeft hypnotherapie ook een non-directieve kant: zie verder). Nog een voorbeeld van het induceren van een andere fysieke omgeving zijn de hyperventilatieprovocatieoefeningen.

Wat men met dit alles beoogt, is het fysieke 'venster' (of kader) klaar maken waarbinnen dan therapie mogelijk zal worden.

f Ook het volgen en geven van een zogenaamde training kunnen we hier situeren: communicatietraining, een training in sociale vaardigheden, assertiviteit, relaxatie, focussen aanleren, hypnose aanleren, enzovoort.

Dit alles is nog geen therapie, maar kan er een voorbereiding toe zijn; of het kan fragmentair op bepaalde momenten in een therapie ingebracht worden of het is een losse focussessie, niet ingebed in een therapie. We zien ook hoe de therapeut verschillende rollen of functies kan krijgen: eerst en vooral die van een gastheer, ook die van een adviseur, een leraar (geeft soms uitleg), een trainer (vaardigheden mee helpen inoefenen), een gids ('guide' bij een focussessie), een model, een gast, een reële andere persoon, en last but not least een overdrachtsfiguur (zie verder).

4 Overgang naar de eigenlijke therapeutische relatieruimte of het therapeutische venster. Hoger toonden we reeds de noodzaak aan dat de cliënt in zekere mate zelfstandig kan en wil werken; dit impliceert dat hij de grenzen die de therapie stelt kan respecteren. Anderzijds is het even noodzakelijk dat de cliënt een contact kan laten ontstaan. Soms zijn dit problemen die een centraal werkpunt vormen, en aldus een overgang vragen.

5 De eigenlijke therapeutische relatieruimte of het therapeutische venster.

a De eigenlijke therapieruimte begint waar de therapeut de cliënt uitnodigt tot zelfactiviteit en deze daarop ingaat. Hij komt tot actie, of tot spreken.

1 actie: de cliënt neemt bijvoorbeeld de gedragstherapeutisch voorgestelde opdracht op zich.

2 spreken: de cliënt komt ertoe zelf te spreken.

• in psychoanalytische therapie via de grondregel;

• in cliëntgerichte therapie via de grondhoudingen.

Men kan hierbij 'aanmoedigingen' gebruiken:

• bij stilte in Rl de 'spreekstroom' helpen (terug) op gang brengen;

• voorstellen op straat situaties op te zoeken in een gradueel opgaande moeilijkheidsgraad;

• voorstellen om te schrijven;

• voorstellen het uit te drukken in een tekening;

• een proefduiding in een initieel psychoanalytisch therapiegesprek
(Malan, 1979, p. 211).

b Het therapeutische venster verwijst ook naar het kader dat het therapieproces nodig heeft. Het leven van de cliënt en het leven van de therapeut maken contact op de plaats van het 'venster', daarbuiten niet. De vele mogelijkheden die een gewone relatie heeft komen hier niet aan bod, om daardoor wel die bijzondere mogelijkheid die de therapeutische relatie is tot ontwikkeling te laten komen. De therapeut komt niet in het concrete leven van de cliënt en deze accepteert dat. Dit op zich geeft een bijzondere veiligheid aan de ruimte waarin de cliënt kan spreken: de therapeut is immers geen belanghebbende in zijn leven. Een ander facet van die veiligheid is dat het kader in meerdere opzichten voorspelbaar is en de cliënt er dus op kan rekenen.

  1. Overdracht en tegenoverdracht. De relatie wordt aan de cliëntzijde gevormd door de overdracht.

a en moet minstens rekening houden met de overdracht;

b men kan expliciet zoeken met de overdracht te werken (Pierloot & Thiel, 1986);

• als instrument via hetwelk de cliënt bij zichzelf veel kan ontdekken;

• corrigerende emotionele ervaring: de therapeut reageert niet zoals het op hem overgedragen ouderbeeld en tolereert wel bijvoorbeeld gevoelens van agressiviteit bij de cliënt;

• de therapeut als identificatieobject (bij psychotische stoornissen).

Complementair aan de overdracht is de tegenoverdracht, de rol die de therapeut zich door de cliënt opgedrongen of 'overgedragen' voelt. Het is belangrijk deze te kunnen onderscheiden van de eigen overdracht die de therapeut kan hebben naar de cliënt toe.

De twee laatste punten, het kader en de overdracht, brengen ook het algemene punt onder de aandacht dat de therapeut kennis moet hebben over hoe om te gaan met relatieproblemen en met belevingsknopen die zich kunnen aandienen.

Laten we nu de gang van 'onze' cliënt heropnemen en een aantal van de opgesomde aspecten in hun dynamiek bekijken. Het is mogelijk dat de cliënt bij zijn stap naar de therapeut nog in R0 zit en dat de therapeut moet vechten om daar niet ingetrokken te worden en om tot een therapeutische attitude te kunnen komen. Een R0-attitude van de cliënt is altijd ergens een vraag. Een vraag die de simpele vorm kan hebben van 'kunt u mij een oplossing aanbieden?', maar een vraag die vele vormen kan aannemen.

We toonden hoe het spreken in Rl een spreken is over dingen (vaak de buitenwereld) en hoe het gericht is tot iemand, de therapeut. Het spreken van de cliënt in Rl is nog niet reflecterend, maar veeleer een weergave van hoe hij in de relatie zit met zijn omwereld, hoe hij omgaat met zichzelf en hoe hij hier in de relatie zit met de therapeut.

De overgang van R0 naar Rl vergt soms veel relationeel werk en spanning. Men betreedt hier het gebied van wat in de PT-benadering de defensiemechanismen wordt genoemd. We beschreven eerder hoe bij de cliënt krachten werkzaam kunnen zijn - vooral in R0 en Rl - om de therapeut in zijn patroon te betrekken. De cliënt probeert onbewust - in de retoriek van zijn spreken, van zijn tekst (Depestele, 2000) - de therapeut in een bepaalde rol te trekken: overdracht. De therapeut voelt dat (tegenoverdracht), maar hij zorgt ervoor dat hij er op een therapeutische manier buiten blijft; de PT zal hier de factor abstinentie plaatsen. De therapeut is in staat om het specifiek soort persoonlijkheidsproblemen dat de cliënt in de relatie brengt - zoals Gendlin (1968, pp. 209 & 222) het uitdrukt – te hanteren. Als overdracht en tegenoverdracht echter genegeerd worden, kan de interactie in de relatieruimte gefixeerd geraken; in bijvoorbeeld de gekende 'goeroe'-situatie 'verleiden' beiden elkaar tot hun respectievelijke posities en wordt daarop niet gereflecteerd.

Vóór de cliënt kan komen tot echte therapeutische zelfactiviteit, wordt de relatie soms getekend door een interpersoonlijke strijd (R1a). De cliënt leeft volop zijn defensies uit. We denken aan het eenvoudige voorbeeld van een cliënt die de geruststelling eist dat hij geen fout heeft gemaakt of eist dat de therapeut zegt wat hij moet doen. We denken ook aan het moeilijke werk met de persoon met een borderlineproblematiek dat grotendeels werk is in de relatie, het vlak waar die defensies zich het sterkst manifesteren.

Aanvaardt de cliënt te werken in de therapeutische ruimte (R1b, het 'venster'), dan wordt zijn strijd intrapsychisch. Aanvaardt hij bijvoorbeeld dat de therapeut hem niet zal leiden of niet zal geruststellen, dan neemt hij de angst op zich. Zijn strijd wordt nu als het ware: 'durf ik in plaats van de defensie de angst te voelen?'. Zo'n voortgang dieper in het schema gaat uiteraard niet lineair maar in cycli: de cliënt kan enkele keren een tijdje 'dieper' werken, maar keert dan terug naar de defensieve positie, alvorens hij daarna de angst weer even aandurft, enzovoort (zie ook verder).

Laten we enkele voorbeelden van defensies bekijken en opmerken dat hoe primitiever ze zijn, hoe meer ze zich in de relatie manifesteren, en dus eerst relatiewerk vragen en dan reflectiewerk. Rl is ook een zich 'verdedigen' om zichzelf niet te moeten tegenkomen in R2: de cliënt blijft liever gericht op de therapeut.

• bij paranoïde achterdocht (psychotische projectie) is het niet moeilijk zich voor te stellen dat dit veel en vaardig relatiewerk zal vragen.

• cliënten met wat psychoanalytici 'onrijpe defensies' noemen (Vaillant, 1992), zullen langer in R0-R1 blijven; cliënten met borderlineproblematiek zullen langer op de 'border' blijven tussen ja of nee therapie, dus tussen ja of nee overgang naar Rl en naar de echte therapeutische ruimte; zij strijden rond separatie-individuatie. En de stap naar de therapeutische ruimte in Rl is juist een separatie!

Hier is een algemeen punt dat ik onder de aandacht wil brengen. Dit werk in de relatie en ook verder, rond de defensies, kan moeilijk zijn. Maar juist ook leerrijk. Het is leerrijk zich de volgende vragen te stellen. Welke zijn de patronen waarmee de persoon in R0 aan de ander en aan de therapeut 'trekt'? Welke zijn de defensies waarmee hij in de therapeutische ruimte binnenkomt, maar zich dus tegelijk 'verdedigt' tegen dat binnenkomen (want daar zijn ze volop geactiveerd). De uitdaging is: hoe gaan we experiëntieel met zulke patronen om ? Hoe kunnen we die persoon op een vruchtbaar experiëntieel niveau krijgen? En het kan heel concreet gemaakt worden: wat zegt de persoon? Wat zei ik dan? Lukte er iets? Lukte het helemaal niet? We kunnen gebruik maken van de vele psychopathologiekennis die voorhanden is. We zouden op deze manier psychopathologie psychotherapeutisch kunnen maken: op welke specifieke therapiemoeilijkheden botsen we bij deze of gene problematiek? Problematiek, niet gedefinieerd in grote categorieën (bijvoorbeeld de depressie) met elk zijn kentekenen, maar in termen van de concrete problemen die ze stellen (bijvoorbeeld het niet kwaad kunnen zijn) in de verschillende stappen van het psychotherapeutische proces en de experiëntiële antwoorden op die problemen. Even terzijde, dit is analoog aan het pleidooi in de classificerende psychopathologie (Van Praag, 1989, pp. 22-23) voor het ontleden van syndromen in de samenstellende psychologische dysfuncties, bijvoorbeeld de depressie ontleden in agressieremming, motorische remming, stoornis in de stemmingsregulatie, enzovoort; er is een parallel bijvoorbeeld tussen het vanuit de psychotherapeutische houding gedefinieerde 'niet kwaad kunnen zijn' en de vanuit de classificerende psychopathologie gedefinieerde 'agressieremming'.

Het schema biedt dus de mogelijkheid om ook in dit opzicht differentiërend te kijken naar het therapeutische proces. Een borderlinecliënt heeft een andere manier om in therapie te komen of om 'het schema binnen te komen' dan een dwangmatige cliënt of dan een persoon met een psychosomatische zijnswijze. Een borderlinecliënt zal veel meer 'relatiestrijd' (Rl) vergen dan (de defensies van) een dwangmatige persoon. Men kan dus via dit schema proberen de defensiemechanismen die de psychoanalyse in kaart heeft gebracht op experiëntiële wijze te bekijken. Hoe probeert men in een experiëntiële therapie om te gaan met een cliënt die de relatie met de therapeut (Rl) vervormt via projectie (achterdochtig persoon) of via splitsing (borderline)? En niet alleen in Rl. Maar ook: welke problemen stelt het omgaan met de projectie in R2? Hoe kunnen we in experiëntiële termen ons omgaan specifiëren met een cliënt die somatiseert of rationaliseert? En ook weer specifiëren: hoe doen we het in Rl, in R2, enzovoorts?

Het schema is dus ook differentiërend in de volgende zin: we kunnen een bepaalde klacht doorheen de opeenvolgende ruimten in zijn verschillende versies volgen: wat de cliënt uitdrukt in de vorm van een somatisatie in R0 (een defensie), zal in Rl bijvoorbeeld woede zijn (maar vaak is veel therapie nodig voor deze overgang), woede over iets in de buitenwereld; en in R2 zal de cliënt misschien kunnen zien dat er ook een eigen drijfveer in het spel is, en in R3 kan zich misschien een nieuw impliceren-van vormen, enzovoort. 'Het probleem' of de problematische zijnswijze wordt in de opeenvolgende ruimten telkens in een nieuwe, expe-riëntieel-verbeterde versie uitgedrukt of in tekst gezet.

Hier ligt een breed werkterrein te wachten op experiëntiële exploratie. Men kan nauwkeurig uitwerken en registreren hoe men een cliënt met een bepaalde manier van in-het-leven-staan in de verschillende ruimten ontmoet en vanuit een therapeutische attitude leert kennen ('gignoos-kein'), dus niet 'vaststellend'-diagnostisch maar 'dynamisch'-diagnostisch. En het schema kan een kader bieden om de specifieke moeilijkheden die men daarbij ondervindt en de pogingen die men onderneemt om deze te overwinnen, in een begrijpelijk verband te plaatsen. Zo zou men vanuit experiëntiële hoek tot een psychotherapeutische psychopathologie kunnen komen. Dat is werk voor veel mensen.

R2: de reflectieruimte

Keren we terug naar de cliënt, met een paar voorbeelden nu van defensies die zich meer in de reflectieruimte manifesteren, dit wil zeggen dat de cliënt er gemakkelijker reflecterend mee kan omgaan:

• rationalisatie: men voelt onmiddellijk hoe dit een mechanisme is op reflectieniveau; het is niet zozeer de relatie die onder spanning komt te staan; het gaat over een bepaalde omgang van de cliënt innerlijk met zichzelf, met zijn beleving.

• een ander, zeer eenvoudig voorbeeld: een cliënt gebruikt herhaaldelijk het woordje 'misschien' waarmee hij zich telkens lijkt te distantiëren van een bepaald gevoel als hij het ter sprake brengt (defensie). De therapeut zal op een bepaald moment zoiets oppikken en experiëntieel tot een ingangspoort maken naar een beleving die uit de weg wordt gegaan. Hij zal bijvoorbeeld de cliënt uitnodigen om te kijken onder het woordje 'misschien' (de defensie wordt 'geduid'), en om toch even bij de ongemakkelijkheid te blijven die komt als hij de zin even uitprobeert zonder 'misschien' (de angst), en om te kijken naar de neiging die erachter zit en die hij moeilijk kon toelaten (de impuls).

Men ziet hier wat de PT de conflictdriehoek noemt (Malan, 1979). Met de sequens defensie-angst-impuls, die we hier in het schema een plaats geven, volgen we namelijk de orde in de 'ontknoping' van de conflictdriehoek. In de PT-benadering zal het bewust-worden of het tot-besef-komen betekenen: van de defensie (in Rl) via de angst bij de onbewuste impuls komen (in R2). Ook de ontknoping van de personendriehoek - die we met Malan (1979, p. 92) volgen: eerst aan de hand van cliënts probleem met betekenisvolle anderen (en dat begint ook met het spreken-over in Rl) en daarna, maar niet voordat de conflictdriehoek bij de cliënt duidelijkheid heeft gebracht, de band leggen naar de ouders, en tenslotte naar de overdracht (het voelend-beseffen en reflecterend uitspreken ervan in R2) - kunnen we aldus een plaats geven.

Deze ontknopingen - of revelaties in het beleven van de cliënt - gebeuren met de hulp van de analytische interpretaties. Deze typische PT-interventies zijn ook een vorm van reflectie: op een bepaalde manier worden aan de cliënt elementen uit wat hij reeds heeft gezegd teruggegeven. Ze doen de cliënt stilstaan, reflecteren; en leiden verder tot revelaties of het 'opengaan' van de beleving, tot inzicht. Het begrip 'erkennen' dat we eerder hanteerden voor de ET kan dus ook de PT-betekenis krijgen van erkennen wat er in het onbewuste zat, van bewust worden. Aldus krijgt het een betekenis van 'ik kan nu erkennen wat ik tevoren niet kon erkennen', 'ik kan het nu wél kennen', een erkennen dat vaak ook een herkennen zal zijn.

Een groot deel van dit gebeuren speelt zich af in R2. Maar het feit dat we veel elementen van de experiëntiële veranderingsstap herkennen, zoals onder meer de 'shift' (zie ook Depestele, 2000), maakt duidelijk dat het proces van het bewust worden van onbewuste tendenties eigenlijk in de ruimten R2-R3-R4 gesitueerd moet worden; deze kleine cyclus met telkens een 'fragment' van bewustwording wordt talloze keren doorlopen (zie ook verder).

Naast een belangrijk aandeel van het gebeuren tussen het ik en het onbewuste, vindt in R2 ook het werken met de 'inner critic' een plaats. Een belangrijk facet daarvan is het belevingsverschil maken tussen 'wat de kritische stem vindt' en 'wat ik vind', waarbij vele cliënten eerst nog moeten leren tegenover die stem een ik te vormen, een ik-plaats (terug) te vinden. Samengevat is R2 dus de ruimte waar - in de oorspronkelijke PT-termen - het 'Ich', het 'Es' en het 'Über-Ich' volop, innerlijk gevoeld, tegenover elkaar in actie kunnen komen, waar strijd gevoerd wordt voor verdere ik-vorming.

Reflecteren veronderstelt empathie; ook in PT wordt de noodzaak van empathie erkend (Pierloot &. Thiel, 1986), de PT die verder toelaat het belangrijke onderscheid te maken tussen empathie en tegenoverdracht (Josephs, 1988, pp. 290-293). Empathie speelt overigens niet alleen een rol in R2. In R0 contact maken met cliënts probleempatroon zonder erin te stappen is een vorm van empathie. Ook het voeling krijgen in Rl met de 'intenties' van de cliënt naar de therapeut toe steunt op empathie. Maar het verwoorden ervan (bijvoorbeeld: 'Je wilt mij nu beschuldigen?') is een poging om er in R2 mee te geraken. In R2 is het meer een contact maken met de beleving van cliënt bij diens zelfexploratie. In R3 is empathie 'begrijpen' dat er een ..... is, het is niet de inhoud ervan begrijpen.

Voorbeelden van reflecties in ET zijn de cliëntgerichte 'reflection of feeling' en het 'experiential listening' (Gendlin, 1974, pp. 230-234; 1981, pp. 118-144); voor een verschil tussen beide, zie Depestele (2000). Hier moeten we ook Prouty situeren. Zijn werk met bepaalde dieppsychotische zwakzinnige personen zal zich zeker vooral in R0-R1 afspelen (een gewone therapeut-cliënt-relatie is nauwelijks mogelijk), maar af en toe komt het in R2. Misschien kunnen we het volgende onderscheid hanteren. Een reflectie bij een gewone cliënt louter op zijn wachtend kijken naar de therapeut is nog een Rl-interventie, omdat ze refereert aan een extern gedrag en in eerste instantie niet aan een beleving. Deze cliënt verschilt hierin van de Prouty-cliënt dat hij maar even in Rl vertoeft, hij is snel terug in R2. Maar de reflectie heeft iets gelijkends als een lichaamsreflectie bij Prouty (1998) zoals: 'Je lichaam is erg rigide', of een situatiereflectie zoals: ‘Het is zeer koud hier'. Een woord-voor-woord-reflectie als het teruggeven van het woord 'Koud' is al een stapje dichter bij het refereren aan een beleving, en zeker een faciale reflectie zoals: 'Je lijkt verdrietig'. Het werk met deze cliënten speelt zich dus hoofdzakelijk af in R0-R1 en af en toe komt het in R2 (zie verder over het courante 'verblijf' van de cliënt), de ruimte ook van het elementaire zichzelf-in-de-wereld-voelen. Anderzijds beschrijft Prouty (1998, pp. 400 en verder) ook een cliënt met hallucinaties, die wel tot spreken komt en die zelf tot R2 komt en daar met zijn verwoordingen blijft worstelen om belevingen 'naar boven' te krijgen, en die erin slaagt ze verder te ontvouwen en 'op te lossen'. Deze cliënt is psychisch sterker: hij kan langer in R2 'verblijven' en werken.

De cognitieve gedragstherapie heeft een heel andere invalshoek om met een hallucinatie te werken (Valmaggia,Van der Gaag & Mulder, 1999). Vooral het 'confronteren' met en toetsen aan de realiteit van de overtuiging en beleving van de cliënt staan daar op de voorgrond. Dit is ook R2-werk, want het gaat eveneens over het vinden van de eigen positie tegenover de buitenwereld.

Confrontatie of blootstelling ('exposure') komt terug in zeer veel GT-tussenkomsten. Blootstelling nu kan eveneens gezien worden als een opnieuw voorhouden of 'terugspiegelen' aan de cliënt van de symbolen van zijn probleemsituatie (Depestele & Hermans, 1999). En omgekeerd hebben reflecties in het algemeen het karakter van blootstelling: zich blootstellen aan 'het probleem' zodat het probleem kan 'terugkomen', kan gevoeld en beleefd worden, en eraan kan gewerkt worden. Vele interventies van de gedragstherapeut kunnen opgevat worden als reflecties: hij geeft de probleemsituatie terug aan de cliënt; hij geeft bijvoorbeeld 'de straat' terug aan de fobische cliënt. We kunnen er ook een equivalent in zien van de PT-sequens van-defensie-naar-angst: de therapeut probeert de cliënt ertoe te brengen zijn vermijdingen stop te zetten.

In gedragstherapie gaat het om reflectie van en over het eigen gedrag; zo bijvoorbeeld het samen met de cliënt, eventueel aan de hand van een vragenlijst, een inventaris opmaken van de probleemgebieden, of van plezierige en onplezierige bezigheden in zijn dagschema. In het opmaken van bijvoorbeeld een inventaris van zijn drinkgedrag komt de cliënt tot erkenning van de problematische facetten eraan. Dat dit niet zonder moeite gaat verwijst naar het feit dat dit niet een neutraal registreren is en dat het 'ontdekken' zelf vaak een stukje therapeutisch proces vergt. Ook het met een cliënt gedetailleerd gaan uitzoeken, met het oog op de functionele analyse zoals dat heet in GT, wat bijvoorbeeld zijn werk psychologisch zo zwaar maakt dat hij er nauwelijks nog naartoe wil of durft, is een exploratieproces dat soms heel zorgvuldig experiëntieel werk vraagt; het gaat er immers om dat de cliënt die precieze betekenissen zou kunnen ontdekken (want vaak kent hij die zelf niet) die het hem zo moeilijk maken.

Zo'n experiëntieel accent in GT zien we ook bij de obsessionele cliënt die de spanning op zich wil nemen van zijn handen toch niet te wassen en zich zo voor de vraag stelt 'wat doet het mij als ik mijn handen niet was?'. Of de agorafobische cliënt kan zich de vraag stellen 'wat voel ik eigenlijk op dit moment (en verderop in het schema kan dit een focussende vraag worden), nu ik mij in verbeelding op de straat bevind, of (later) nu ik mij in werkelijkheid op straat bevind?'

De reflectieruimte is ook de plaats bij uitstek waar schrijftherapie zich afspeelt. We wezen er reeds op dat uit het effect van schrijftherapie blijkt dat Rl in de vorm van een relatie tussen cliënt en therapeut niet altijd nodig is, ook niet voor de reflecties. Reflectie en zelfreflectie laten zich dus als een apart facet differentiëren. De tekst van de cliënt is voor hem een spiegel die een continu interageren met zijn beleving toelaat (R2), ook focusmomenten met zich kan meebrengen (R3) en het opkomen in en met de 'tekststroom' van nieuwe belevingen en nieuwe symbolisaties (R4).

Kunnen we ook in systeemtherapie (ST) kenmerken vinden van R2? In ST kan een reflecterende vraag de vorm krijgen van: 'Wat is mijn positie (bijvoorbeeld in dit gezin)?' Ook ST zou vanuit experiëntieel gezichtspunt deels gedefinieerd kunnen worden als een reflecteren op de interacties die men 'maakt' en ondergaat.

Het schema dat we hier ontwikkelen is voortgekomen uit ervaring met individuele psychotherapie. Maar het kan ook een toepassing vinden in groepstherapie. Daar is het niet zozeer de therapeut maar de groep die de relatieruimte helpt vormen en die de cliënt tot spreken en tot reflecteren brengt. Gezinstherapie kan beschouwd worden als een bijzondere vorm van groepstherapie; tussen de leden zijn er reeds relaties, maar nu wordt via de therapeut een nieuwe relatieruimte gecreëerd die een nieuw spreken en reflecteren (R2) mogelijk maakt, namelijk over de gezinsrelaties zelf en het eigen functioneren daarin; dit om te komen tot nieuwe ervaringen (R3) en een nieuw interageren (R4) daarin. Ook partnerrelatietherapie kunnen we hier situeren.

De stap naar zichzelf in R2 is niet gemakkelijk. Het kan voor de obsessionele cliënt reeds veel kosten om bijvoorbeeld zijn huisgenoten niet te vragen ook de handen te wassen, en om te erkennen dat hij zelf een stuk psychologisch werk moet doen. Het kan voor de jaloerse persoon zeer veel vergen om ter geruststelling de partner niet meer te controleren, de angst op zich te nemen en 'het' in zichzelf te gaan zoeken.Vaak is het terugkeren bij zichzelf een tweestap: eerst kunnen erkennen dat er een eigen aandeel is (R2a) en daarna wat het eigen aandeel is (R2b). Het eerste kan mede steungevende interventies van de therapeut vergen: hij helpt te erkennen dat er bijvoorbeeld een eigen verlangen is; nadien kan hij meer reflectief en interpretatief helpen te erkennen wat het verlangen 'wil'.

Zo ontdekt de cliënt dan, bijvoorbeeld in een korte psychoanalytische therapie de oedipale patronen die zijn leven tot nu toe onbeseft hebben beheerst en 'gefixeerd'. Dit kunnen we de 'oude' impliciete tendensen noemen; maar het is niet genoeg dit te weten te komen. De plaats waar het impliciete zichzelf nieuw organiseert, waar zich op impliciet niveau nieuwe antwoorden ontwikkelen, is de focusruimte.

R3: de focusruimte

Het focusmoment kan binnengebracht worden in andere therapieën en omgekeerd zijn er bij andere therapieën impliciet aanzetten tot zulke momenten te vinden.

Gendlin (1986; 1996) geeft vele voorbeelden van hoe focussen met andere therapeutische methoden en interventies gecombineerd kan worden, bijvoorbeeld focussen en systematische desensitisatie. Een cliënt die de focusvaardigheden heeft - en ze kunnen los van een therapie worden aangeleerd, zoals we zeiden, vroeg in de relatieruimte; of ze kunnen gaandeweg in de loop van de therapie worden bijgebracht - kan ze bijvoorbeeld gebruiken in een GT met verbeelding of in een GT met blootstelling in vivo (Depestele & Hermans, 1999).

Omgekeerd kunnen we erop wijzen dat andere therapieën vaak impliciet een plaats hebben waarop het focusmoment aansluiting kan vinden. Het facet 'innerlijke aandacht' wordt ook door andere pioniers van de psychotherapie vermeld als een therapeutisch vehikel, maar zonder het experiëntieel te preciseren. Freud (1987, p. 148) schrijft: 'Hiervoor (voor het toepassen van de duidingsmethode op de droom) is nu een zekere voorbereiding van de zieke nodig. Men streeft bij hem naar twee dingen, een versterking van zijn aandacht voor zijn psychische waarnemingen en een uitschakeling van de kritiek waarmee hij de in hem opkomende gedachten anders pleegt te selecteren' (cursivering toegevoegd). De grondlegger van de cognitieve therapie, Beck (1976, p. 30), schrijft: 'De patiënten rapporteerden bepaalde soorten ideeënvorming niet. Dit verzuim was niet te wijten aan weerstand (...) maar eerder (...) aan het feit dat de patiënt er niet in geoefend was om op bepaalde soorten gedachten te focussen' (cursivering toegevoegd). Het is een van Gendlins grote verdiensten die 'innerlijke aandacht' te hebben gepreciseerd.

Andere therapieën hebben facetten die experiëntieel 'uitvergroot' kunnen worden. Zo heeft de GT aanzetten die tot focusmoment uitgewerkt kunnen worden (Depestele & Hermans, 1999). In de vorige paragrafen hebben we verscheidene manieren aangegeven waarop PT, GT en ST reflexief kunnen zijn; welnu zodra er een reflexiemoment is, kan er een focusmoment uit voortkomen, namelijk overal waar de reflexieve 'tekst' even niet vooruit kan. De uitnodigingen tot reflexie kunnen ook talig zo gevormd worden dat het een focusuitnodiging wordt. Een interventie kan aan de cliënt zo aangeboden worden dat hij, bijvoorbeeld na de interpretatie van de psychoanalyticus, zich uitgenodigd voelt om enige focusstilte te nemen en binnenin de vraag te stellen: 'hoe raken deze woorden mij? Wat doen ze mij? Wat komt er als antwoord op deze woorden?'

De psychoanalyse leerde dat het symptoom symbool staat voor of de vorm heeft van - in experiëntiële termen uitgedrukt - het geblokkeerde ervaren, en in zich ook de te bevrijden (en te vormen) gezonde impliciete tendensen bevat. Experiëntieel beschouwd bestaat alle therapie er dan uiteindelijk in om het problematische, het structuurgebondene, het neurotische, het symptoom zó te 'prepareren' dat de cliënt de vele facetten ervan in experiëntiële vorm (in ......-vorm) vóór zich kan krijgen; met andere woorden therapie bestaat erin het problematische zó te mobiliseren dat het uit zijn R0-vorm komt, en via Rl en R2 een R3-vorm kan krijgen, om zo verder te ontvouwen.

R4: de symbolisatieruimte

Het nieuwe impliceren-van dat zich vormt in de focusruimte, kan in de symbolisatieruimte duidelijk worden en vooruitgedragen worden in de explicitering. Dit soort symboliseren gebeurt in verbale psychotherapie, of bijvoorbeeld in therapeutisch schrijven; men kan ook tekenen wat men wil uitdrukken. Maar het gaat meestal om een zoeken om met woorden iets nieuws uit te drukken, om creatief taalgebruik (Gendlin, 1991). Waar het in het Rl- en R2-spreken meer ging om retoriek van het onbewuste - onbewust de ander willen overtuigen - gaat het in R4 meer om poëtiek van het onbewuste - het speciale spel dat woorden en diepe beleving met elkaar kunnen hebben. Ook van de taalkunde valt veel te leren voor de zielkunde.

Talige symbolen zijn het fijnst om zich af te stemmen op en te 'werken' in een ...... Een PT-interpretatie die raakt, kan een hele belevingsverschuiving teweegbrengen.

Ook cognitieve methoden kunnen experiëntieel gebruikt worden (Gendlin, 1996, pp. 238-246). Trouwens het focussen zelf heeft een cognitieve en een niet-cognitieve zijde (p. 242). Cognitieve therapie werkt op wat de cliënt zegt tot zichzelf ('self-talk'); welnu het zich innerlijk de focusvraag stellen 'wat is de kwaliteit van dat alles?' is zo'n cognitieve actie naar zichzelf; niet-cognitieve acties zijn de wachtende aandacht, het komen, en het openen van de gevoelde zin.

Een van de cognitieve methoden steunt op het gegeven dat een gedachte de kwaliteit van een beleving kan veranderen. Het moeilijke van iets te gaan doen in een probleemsituatie kan voor een bepaalde cliënt totaal veranderen als de therapeut hem helpt om deze te gaan zien als een 'uitdaging', of om ze te herbenoemen en te herkaderen als 'oefenen', of om ze te gaan zien als een gelegenheid om te 'experimenteren'. Zo'n cognitie binnenbrengen - de context wijzigen heet dit in ST-termen - in een ..... kan een 'shift' geven. Vele interventies in de Ericksoniaanse therapie hebben een dergelijke vorm.

Op een gelijkaardige manier heeft het bestrijden van negatieve gedachten ook experiëntiële facetten. Het leren (h)erkennen ervan is een R2-facet; het vervangen ervan door een gedachte waarvan de cliënt weet dat ze een positief effect heeft, lijkt meer een R4-facet te zijn. Een cliënt kan bijvoorbeeld 's morgens denken en tot zichzelf zeggen 'ik zal mij beter voelen als ik gewoon in bed blijf'; maar misschien heeft hij geleerd dat in bed blijven zijn depressie overdag erger maakt; daarom kan hij denken 'gisteren heeft het mij geholpen dat ik toch ben opgestaan en op gebleven'. Gendlin (1996, p. 239) wijst erop dat elke therapeut elementen van de cognitieve methode (en van andere methoden) kan gebruiken, waar de cliënt dit nodig kan hebben.

Het ontwikkelen van nieuwe patronen zien we ook in ST. Het doel in een gezinstherapie is te spreken en te reflecteren op de relaties die men met elkaar heeft en op het eigen persoonlijk functioneren daarin om zo te komen tot nieuwe impliciete ervaringen (.....'s), en van hieruit tot nieuwe interactiewijzen in het gezin: deze zijn dan ook vooruitdragende symbolisaties .

R5: de zelfsymbolisatieruimte

Na de therapiesessie of uren na het uitschrijven van iets kan de persoon verrast worden door nieuwe ideeën en associaties die binnenkomen. Zo bijvoorbeeld na een 'gelukte' PT-interpretatie. Of de cliënt meldt dat hij na de vorige sessie spontaan het idee kreeg om iets te ondernemen en het ook heeft gedaan, wat hij tevoren lang had uitgesteld.

Zulke ideeën die onverwacht komen - de cliënt zat niet focussend te wachten - en een kwaliteit hebben van 'nieuw', 'juist', 'goed', 'vooruit', lijken onbewust gestuurde ideeën te zijn. Misschien kunnen we zeggen dat ze rechtstreeks, zonder blokkering uit het onbewuste komen. En misschien kunnen we een onderscheid maken tussen R1-R2 en R5 voor wat betreft het komen uit het onbewuste. Het komen uit het onbewuste in de relatie- en reflectieruimte veroorzaakt conflict - de persoon zegt bijvoorbeeld: 'Ik voel vaak een bepaalde neiging, maar ik wil dat niet, ik begrijp dat niet'; het is 'partieel' en repetitief, niet vooruitdragend. Het komen uit het onbewuste in de zelfsymbolisatieruimte daarentegen is harmonieus, het voelt aan als juist; het gehele proces wordt vooruitgedragen. Iets dat naar boven komt in een droom of in een hypnotherapeutische trance (dit is dan de non-directieve kant van hypnotherapie) is nog 'partieel', 'gedissocieerd’, de persoon begrijpt het niet goed, enzovoort; en er is in R2 nog veel integratiewerk mee te doen.

Het schema is differentiërend en integrerend

Eenmaal het schema zijn grove contouren heeft, laat het toe om andere dingen te vinden; het is heuristisch. Als we dóór het schema naar het therapeutische gebeuren kijken, doet het differenties oplichten die men op het eerste gezicht niet ziet. Wat één bepaald facet (bijvoorbeeld stilte in de sessie; het onbewuste) of één bepaalde factor (bijvoorbeeld de 'therapeut'; innerlijke aandacht; woorden) lijkt te zijn, blijkt verschillend te zijn naargelang de ruimte. Het in het licht stellen van die verschillen laat een beter begrijpen toe, en een beter erop inspelen (stilte) of er gebruik van maken (woorden).

Stilte bijvoorbeeld is anders in Rl dan in R3 of R4, en vraagt om een ander omgaan ermee. Ze is:

• in R4: stilte na de 'shift';

• in R3: stilte vóór het vormen van en tijdens het blijven bij een .....;

• in R2: pauze in de verwoording, innerlijke aandacht bij een (min of meer) duidelijke beleving;

• in Rl: onproductieve stilte; de cliënt heeft innerlijk niet een onderscheiden gevoel of een bepaalde beleving; de stilte kan hier ook uitdrukking zijn van diverse defensies, wat telkens een geëigende tussenkomst van de therapeut zal vragen.

Zo kan men voor diverse facetten en factoren differenties uittekenen. Het schema toont verschillende soorten aandacht. 'Wie' de rol van therapeut vervult verschilt naargelang de ruimte. We kunnen de therapeutische relatie differentiëren. We kunnen naargelang de ruimte ook het onbewuste differentiëren. Parallel daaraan kunnen we ons de vraag stellen: wat zegt de tekst in de verschillende ruimten? Hoe 'spreekt' de beleving in de verschillende ruimten? Wat doen woorden (en retorische figuren) in de diverse ruimten? We kunnen de verhouding tussen tekst en beleving in de verschillende ruimten op een andere manier formuleren. De zes ruimten komen overeen met zes versies van de klacht, versies van de tekst, zes versies van het 'lichaam'. Ook de zelfbeweging kunnen we differentiëren.

Zo laat het schema toe op veel punten een onderscheid te maken. Het doet dat zonder evenwel een scheiding te maken, want de ruimten vloeien in elkaar over. Ook op deze manier komt er meer inzicht in het therapeutisch gebeuren. Het schema laat toe op een gedifferentieerde manier te handelen en niet op een eclectische manier (losse technieken, die men van hier en van daar kan plukken): het is een handelen met een inzichtelijke samenhang op de achtergrond.

Hoe verhoudt zich het schema tot het verloop van een therapie? Het zal duidelijk zijn dat de opeenvolgende ruimten niet iets willen oproepen van fasen in een therapie (dat bijvoorbeeld R2 de tweede fase van een therapie zou zijn). Het schema toont een cyclus, die talloze keren doorlopen wordt. Het komen tot zo'n cyclus betekent ook niet dat de cliënt in het therapieverloop courant in R2 moet zitten vooraleer hij verder kan. Het is mogelijk dat de cliënt grotendeels nog in Rl of zelfs R0 'verblijft', maar momentaan een kort moment tot in R2 en verderop geraakt.

Iemand leren focussen vóór een therapie impliceert dat hij een cyclus kan doormaken ook al zijn er nog grote probleemgebieden door te werken. Het is niet omdat de persoon vastzit dat er - in andere aspecten - niet een of enkele veranderingsstappen mogelijk zijn en omgekeerd is een probleem niet opgelost met een of enkele veranderingsstappen.

Een cliënt is bijvoorbeeld opgenomen in de kliniek en staat voor de beslissing al dan niet in een bepaald behandelingsprogramma te stappen. Het zoeken via reflectie - hij moet immers in zichzelf zoeken of 'laten vormen' wat hij wil - en eventueel via focussen (R3) en het komen tot een standpunt en een beslissing gebeurt hier dus vóór de eigenlijke therapie. Dit zijn experiëntiële momenten, terwijl de cliënt zich nog bijna helemaal in R1a bevindt, namelijk de motivatiefase. Dit is een voorbeeld van een cliënt die vanuit zijn (gedurende een langere tijd) habituele ruimte of 'verblijf' in het schema, gedurende een kort moment verderop geraakt. Maar omgekeerd gebeurt het ook vaak dat de cliënt bijvoorbeeld in Rl of R2 verblijft, maar nu en dan een korte tijd terugvalt op R0; wat dan ander specifiek werk van de therapeut vraagt.

Er zijn dus als het ware twee recurrente bewegingen, een snelle cyclus (één ..... en de voorafgaande Rl, R2, enzovoort) en een tragere cyclus: de cliënt komt na enige sessies in een R2-moment, maar keert na enige sessietijd of in de volgende sessie terug naar Rl; het opschuiven hier gebeurt veel trager. Beide cycli vormen elk een terugkerende beweging en aan de hand van hun 'som' schuift het therapieproces langzaam op. En dit langzaam vorderen van het therapieproces is dan nog veeleer een pulseren (vergelijk de PT-term 'impuls'): zoals een stroom die langs vele vingers in de vorming van zijn bedding hindernissen ontmoet en lang en herhaaldelijk ertegenaan en uiteindelijk er doorheen 'pulseert'.

Het schema is een theorie van het psychotherapeutisch gebeuren. Het probeert het 'instrument' dat psychotherapie heet in kaart te brengen om het op die manier beter te leren kennen en gebruiken. Als een therapie vastloopt kan het een leidraad bieden om beter te kunnen zoeken waar en hoe een en ander vastloopt.

Een goede theorie moet veelomvattend zijn; ze moet de belangrijke elementen die iets zeggen over de beschreven werkelijkheid een plaats geven in een samenhang. Maar een goede theorie kan niet allesomvattend zijn. Ze moet openstaan voor nieuwe elementen, en moet zich kunnen laten corrigeren door de altijd complexere werkelijkheid waarover ze gaat. Het schema staat open voor die werkelijkheid.

Correspondentieadres

Frans Depestele
Grotstraat 100
3200 Aarschot
Belgium
 

Literatuur

Atwood, G.E. & Stolorow, R.D. (1984), Structures of subjectivity: Explorations in psychoanalytic phenomenology. Hillsdale: Lawrence Erlbaum.

Beek, A.T. (1976), Cognitive therapy and the emotional disorders. NewYork: International Universities Press.

Davanloo, H. (1990), Unlocking the unconscious. Selected papers of Habib Davanloo, MD. New York: John Wiley & Sons.

Depestele, F. (1995), Gevoelde zin: een Nederlandse vertaling voor 'felt sense'. Tijdschrift Cliëntgerichte Psychotherapie, 33, nr. l, pp. 3-16 (Erratum: 1995, 33, nr. 2, p. 2).

Depestele, F. (2000), Tekst en beleving. Tijdschrift voor Psychotherapie, 16, nr. 4, pp. 213-232.

Depestele, F. &. Hermans, D. (1999), Blootstelling in psychotherapie. Bekeken vanuit de gedragstherapeutische en de experiëntiële (en de psychoanalytische) benadering. In: RW. Trijsburg, S. Colijn, E.C.A. Collumbien & G. Lietaer (Red.), Handboek integratieve psychotherapie I. 3, pp. 1-45. Den Haag: Elsevier/De Tijdstroom.

Freud, S. (1987 [19001]), De droomduiding (vertaling T. Graftdijk). Meppel: Boom.

Gendlin, ET. (1968), The experiential response. In: E. Hammer (Ed.), Use of interpretation in treatment, pp. 208-227. NewYork: Grune & Stratton.

Gendlin, ET. (1974), Client-centered and experiential psychotherapy. In: D.A. Wexler &. L.N. Rice (Eds.), Innovations in cliënt-centered therapy, pp. 211-246. New York: John Wiley & Sons.

Gendlin, E.T. (1981), Focusing (second edition. New revised instructions). New York: Bantam.

Gendlin, E.T. (1984), The client's cliënt: the edge of awareness. In: R.L. Levant & I.M. Shlien (Eds.), Cliënt-centered therapy and the person-centered approach. New directions in theory, research and practice, pp. 76-107. NewYork: Praeger.

Gendlin, E.T. (1986), What comes after traditional psychotherapy research? American Psychologist, 41, nr. 2, pp. 131-136.

Gendlin, E.T. (1991), Thinking beyond patterns: Body, language and situations. In: B. den Ouden & M. Moen (Eds.), The presence of feeling in thought, pp. 25-151. NewYork: Peter Lang.

Gendlin, E.T. (1996), Focusing-oriented psychotherapy. A manual of the experiential method. NewYork: Guilford.

Hendricks, M.N. (in druk). Research basis of focusing-oriented/experiential psychotherapy. In: D. Cain & J. Seeman (Eds.), Research basis of humanistic psychotherapy. Washington, DC: APA.

Josephs, L. (1988), A comparison of archaeological and empathic modes of listening. Contemporary Psychoanalysis, 24, nr. 2, pp. 282-300.

Malan, D.H. (1979), Individual psychotherapy and the science of psychodynamics. Londen: Butterworth.

Pennebaker, J.W. (1993), Putting stress into words: health, linguistic, and therapeutic implications. Behaviour Research and Therapy, 31, nr. 6, pp. 539-548.

Pierloot, R.A. & Thiel, J.H. (1986), Psychoanalytische therapieën. Deventer: Van Loghum Slaterus.

Praag, H.M. van (1989), The role of biological psychiatry in psychiatry. In: H. de Cuyper & G. Buyse (Eds.), Biological psychiatry. Marching backwards into the future, pp. 13-35. Leuven: Leuven University Press.

Prouty, G. (1998), Pre-therapy and pre-symbolic experiencing. Evolutions in person-centered/experiential approaches to psychotic experience. In: L.S. Greenberg, I.C. Watson &. G. Lietaer (Eds.), Handbook of experiential psychotherapy, pp. 388-409. NewYork: Guilford.

Stern, D. (1985), The interpersonal world of the infant. NewYork: Basic Books.

Vaillant, G.E., (1992), Ego mechanisms of defense: A guide for clinicians and researchers.Washington, DC: American Psychiatric Press.

Valmaggia, L., Gaag, M. van der & Mulder, H. (1999), Cognitieve gedragstherapie bij een man met schizofrenie die stemmen hoort. Psychopraxis, l, nr. 2, pp. 56-60.

Weiser Cornell, A. (1994), Disidentification and the inner relationship. Unpublished paper. Presented at the 6th International Focusing Conference at Pforzheim, Germany.